| Partner van cliënt |
|
|
|
|
In 1989 werd bij mijn vriend Jan de diagnose "AIDS" gesteld tijdens een plotselinge onverwachte ziekenhuisopname wegens een PCP (een bepaalde longontsteking, die vooral mensen met HIV krijgen). Ik wilde toen ook weten hoe het met mij stond en liet mij testen. Het testresultaat was positief. Bij Jan werd nog een levensverwachting van 2 tot 4 weken gediagnostiseerd. Toen bestond er net AZT als enig middel. Uiteindelijk heeft Jan nog 4,5 jaar geleefd. Ik werd met het doodgaan van mijn vriend geconfronteerd en met mijn eigen positief zijn, dus met een onzekere toekomst. Ik vluchtte in sex en drugs. Met Jan ging het weer beter en hij kwam uit het ziekenhuis, Jan was niet meer in staat om te kunnen werken, wij hadden alle twee het nodige te verwerken. Ik stond erop dat Jan buddy's (toen werden per cliënt nog twee buddy's ingezet) zou krijgen, omdat ik Jan soms niet de nodige opvang en aandacht kon geven en tijd en ruimte voor mij zelf nodig had. Ook vond ik dat Jan een "buitenstaander" nodig had om eens mee te kunnen praten. Maar Jan wilde geen buddy's. Hij vond het te confronterend, hij voelde zich dan afhankelijk en een "patiënt". Na veel praten heeft hij dan toch buddy's aangevraagd. Eerst was het Frans, die toen later het werk niet meer kon doen en toen kwamen Ger en Karin. De buddy's kwamen regelmatig om met Jan of ons alle twee iets te ondernemen, of gewoon voor een kop koffie. Deze tijd was belangrijk (vind ik vandaag) om elkaar te leren kennen om dan in moeilijkere tijden toch van elkaar het nodige te weten om elkaar te kunnen aanvoelen. Toen Jan (na 4 jaar) weer zieker werd kwam dat goed van pas. Jan zijn wens was het om thuis te sterven, en toen de artsen na een hersenaandoening niets meer konden doen waren de buddy's een grote hulp. Bij het aanvragen van de nodige zorg wisten Ger en Karin (o.a. door de buddytraining) de wegen hoe, wat, waar te organiseren: bv. thuiszorg, gezinszorg, nachtzorg, fysiotherapeut, groene kruis etc. Ik dacht dat ik niet meer kon werken, maar de buddy's zorgden ervoor dat ik dat toch verder deed om ook eens eruit te komen en wat afwisseling te hebben. Zo kon ik ook eens gaan wandelen, fietsen of naar de bioscoop. De buddy's hielden Jan en vooral ook mij goed in de gaten, om geen "burn out syndroom" te krijgen. Dit gaf mij een goed gevoel van niet alleen voor alles te staan en opgevangen te worden, vooral van zorg ook naar mij. Nu was het heel prettig dat er 2 buddy's waren die elkaar konden afwisselen, of naar hun mogelijkheden dingen deden. Karin had bv. een auto en ging regelmatig met mij winkelen voor een hele week. Ger was voor mij meer de "zielentrooster" (misschien ook door zijn werk in de psychiatrie). Beiden waren goed in het duidelijk kunnen inschatten van de situatie en open en eerlijk erover te zijn naar Jan en naar mij toe. Dit heb ik als bijzonder leerrijk en, zo raar het klinkt, hulprijk ervaren. Jan wilde weten waar hij aan toe was. Ik zelf vind het vreselijk om geheimzinnig tegenover iemand te doen, al is die nog zo ziek, of aan het sterven. Als familie of vrienden opbelden om te vragen hoe het ging, zei ik meestal: "heel goed." Wat soms heel raar overkwam, er ligt iemand te sterven en het gaat heel goed..... Jan ging het niet meer om de kwantiteit maar om de kwaliteit van leven en hij heeft dit ondanks alles waar gemaakt. Jan zou na zijn ontslag uit het ziekenhuis nog maar dagen te leven hebben, uiteindelijk zijn het 9 maanden geworden, en een hele mooie tijd. Al met al waren Karin en Ger meer dan een helpende goede aanvulling op de "mantelzorg" zoals dat dan heet. Jans laatste regels uit zijn dagboek:
Dit is voor mij ook vooral aan zijn buddy's gericht! Ook na de dood van Jan waren Ger en Karin er nog voor mij en gaven zij mij ondersteuning na het verlies van mijn vriend, gewoon om erover met hun te kunnen praten, gebeurtenissen op te halen, elkaar te troosten en zo de rouw te verwerken. |
| Laatst aangepast op dinsdag, 28 april 2009 11:08 |



